Het artikel gaat hieronder verder.
Toen ChatGPT eind 2022 op de markt kwam, was dat volgens Paul Thewissen het begin van een disruptieve ontwikkeling die vergelijkbaar is met de coronapandemie. Niet qua tijdsbestek – A.I. werkt geleidelijker – maar wél qua impact op beleid en maatschappij. ‘Net als bij COVID is deze technologie zonder tussenkomst van de overheid, door private partijen ontwikkeld en zonder guidelines losgelaten op de samenleving’, zegt hij. ‘Dat maakt het lastig om een goede, tijdige respons te geven.’

Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), waar Thewissen werkt, heeft gelukkig wel lessen getrokken uit de coronatijd. Destijds werd het beleid te eenzijdig gestuurd door virologen, terwijl de effecten op bijvoorbeeld leerachterstanden in het onderwijs nauwelijks een rol speelden, zegt hij. OCW heeft daarom nu een Chief Science Advisor voor A.I. aangesteld en werkt met onafhankelijke onderzoekers uit meerdere disciplines. ‘We willen voorkomen dat we bij de ontwikkeling van beleid vanuit een verkeerde probleemanalyse vertrekken’, stelt Thewissen, die eerder hoofd mediabeleid bij OCW was en bij Economische Zaken werkte aan innovatiebeleid.
De mismatch groeit, maar hoe snel?
Tim Schokker, collega bij van Paul Thewissen bij de directie Kennis & Strategie, en al sinds 2008 werkzaam bij OCW, denkt dat de kloof tussen onderwijs en arbeidsmarkt door A.I. alleen maar toeneemt. ‘Maar hoe erg dat wordt, hangt af van de snelheid waarmee bedrijven A.I. daadwerkelijk adopteren. En dat gaat nu nog wat langzamer dan we dachten’, zegt hij. ‘Voordat je A.I. in het werkproces hebt ingebed en het vertrouwen hebt dat het goed gaat, is een lange weg ten opzichte van het schaduwgebruik dat we nu zien.’
‘Hbo’ers en wo’ers krijgen er zeker ook last van, maar die komen uiteindelijk wel terecht.’
Nederland heeft daarbij een bijzonder uitgangspunt: het sterk beroepsgerichte onderwijssysteem. Dat biedt voordelen – goede aansluiting op de arbeidsmarkt, weinig uitval – maar is ook kwetsbaar voor snelle veranderingen. Schokker maakt zich vooral zorgen over mbo-studenten. ‘Hbo’ers en wo’ers krijgen er zeker ook last van, maar die komen uiteindelijk wel terecht.’

Als hoger opgeleiden door A.I. minder werk vinden op hun eigen niveau, gaan zij concurreren met mbo’ers. Dat pakt historisch gezien altijd nadelig uit voor die laatste groep. Tegelijkertijd zijn er sectoren, denk aan zorg, bouw en techniek, waar fysiek en vakkundig werk alleen maar belangrijker wordt en de tekorten nijpender. Daar hebben mbo’ers juist weer een goede uitgangspositie.
Van diploma’s naar skills
Beide beleidsadviseurs zien in A.I. een versneller van een ontwikkeling die al langer gaande is: de verschuiving van diploma’s naar skills. Het ministerie van OC&W werkt samen met het ministerie van Sociale Zaken en partijen als het bedrijfsleven en het UWV aan een gemeenschappelijke skills-taal die zowel in het onderwijs als op de arbeidsmarkt bruikbaar is. Die versnelling raakt ook de betrouwbaarheid van diploma’s zelf. Schokker stelt de vraag die veel docenten bezighoudt: ‘Hoe weet je nog dat studenten daadwerkelijk kunnen schrijven als ze met een taalmodel hun scriptie maken?’
‘Leerlingen leren nu ook van elkaar. Niet alleen lesstof, maar ook sociale vaardigheden.’
A.I. belooft gepersonaliseerd leren mogelijk te maken – onderwijs op maat voor iedere leerling. Maar Thewissen vraagt zich hardop af of dat wenselijk is. ‘Het leerproces zoals we dat nu in klassenverband organiseren, maakt dat leerlingen ook van elkaar leren. Niet alleen lesstof, maar ook sociale vaardigheden. Die functie van onderwijs staat onder druk als we te ver door individualiseren.’

De wetenschappelijke literatuur wijst bovendien op het risico van cognitieve offloading: studenten die structureel hun denkwerk uitbesteden aan A.I., ontwikkelen hun kritisch denkvermogen en creativiteit onvoldoende. Thewissen: ‘Er verschijnen steeds meer studies die zich afvragen of mensen dommer worden van A.I.-gebruik. Het antwoord is complexer dan die vraag suggereert, maar het is wel iets wat we serieus moeten nemen.’
Kansenongelijkheid dreigt
Een thema dat beide gesprekspartners nadrukkelijk benoemen, is kansenongelijkheid. A.I. kan maatwerk bieden aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben – eenvoudige tools als Rekentuin laten al zien dat dat kan werken, maar adoptieve software kan ook de verschillen tussen leerlingen in de klas vergroten. Thewissen: ‘Je zult maar een kind zijn in een gezin met weinig voorzieningen, geen laptops. Dan heb je al bij voorbaat een enorme achterstand ten opzichte van gezinnen waarin iedereen digitaal geletterd is.’
De ongelijkheid speelt niet alleen thuis. In de autonome ontwikkeling – wat leerlingen buiten school met A.I. doen – ontstaat een digitale kloof die het onderwijs mogelijk niet kan dichten. Schokker benadrukt dat dit sterk afhangt van de implementatie van technologie: ‘Het gaat heel erg om hoe we A.I. gaan implementeren en hoe we de kansen benutten.’
Voorop in Europa
Er is ook goed nieuws. Via groeifondsprogramma’s wordt in Nederland actief geëxperimenteerd met A.I.-tools die in samenwerking met wetenschap en bedrijfsleven worden ontwikkeld. Thewissen geeft aan dat er al vele tientallen prototypes zijn gemaakt en een methodiek is ontwikkeld hoe je dat samen met bedrijfsleven (ook start-ups) en wetenschappers (vanuit verschillende disciplines) kunt doen. ‘Wij denken dat we daarmee redelijk vooroplopen in Europa. Dat merken we aan de manier waarop andere landen ons benaderen.’
De Europese Commissie stimuleert Nederland om een voortrekkersrol te nemen in het opzetten van een publieke digitale infrastructuur voor A.I. in het onderwijs. Partijen als SURF en Kennisnet bieden functionaliteiten die in andere EU-lidstaten niet bestaan. Het gaat dan om het kunnen uitserveren van digitale diensten die voldoen aan onze publieke waarden. Het gaat niet alleen om nuttige A.I. tools, maar ook om data-soevereiniteit en onafhankelijkheid van grote techbedrijven. Een punt waar Nederland bewust anders opereert dan bijvoorbeeld India of de Verenigde Staten.
Zekere verlamming
Ondanks de urgentie signaleert Thewissen ook een zekere verlamming. Hij noemt het ‘handelingsverlegenheid’: iedereen voelt dat er iets moet gebeuren, maar niemand weet precies wie de regie moet nemen. Er circuleren inmiddels vele tientallen verschillende handreikingen voor A.I.-gebruik in het onderwijs. ‘Er zijn heel veel partijen die zichzelf capabel achten om hier iets over te zeggen. Maar als departement horen wij te weten wat onzin is en wat verstandig.’
‘Maak ik me nu zorgen? Nog niet. Maar het is niet vanzelfsprekend dat het goed gaat.’
Als er één rode draad door het gesprek loopt, is het wel deze: kritisch denken wordt belangrijker dan ooit. ‘Die zelfredzaamheid krijg je alleen door goed onderwijs. Niet door achter een A.I.-scherm te gaan zitten. Daarvoor heb je een leraar nodig’, vindt Schokker. Uit het gesprek rijst het beeld op van een ministerie van onderwijs dat de urgentie voelt, investeert in wetenschappelijke onderbouwing en actief zoekt naar Europese samenwerking, maar ook eerlijk is over de grenzen van het eigen handelingsvermogen. ‘Maak ik me nu zorgen? Nog niet. Maar het is niet vanzelfsprekend dat het goed gaat’, vat Schokker het samen.
Over deze serie
Dit interview is onderdeel van een reeks gesprekken over de impact van A.I. op jongeren en de arbeidsmarkt, uitgevoerd door Geert-Jan Waasdorp (Intelligence Group) en Maike Krijnen (hoofdredacteur LoopbaanPro).