Het artikel gaat hieronder verder.
We spreken in Nederland steeds beter Engels. Inmiddels zegt zo’n 95% van de bevolking een gesprek in het Engels te kunnen voeren. Dat is meer dan in welk ander land ter wereld ook, waar Engels niet de voertaal is. Dat is fijn natuurlijk, maar er is ook een keerzijde. Want tegelijkertijd verliezen we in hoog tempo onze beheersing van het Frans en het Duits. Dat klinkt mogelijk als een min of meer logische verschuiving, maar het is een riskante. Want juist nu Europa politiek en economisch op eigen benen moet leren staan, blijkt bijvoorbeeld de Franse taal strategischer dan ooit.
Iets meer dan een kwart van de Nederlands zou een gesprek in het Frans kunnen voeren.
Volgens de meest recente Eurobarometer (2023) spreekt nog slechts 27% van de Nederlanders voldoende Frans om een gesprek te voeren. Daarmee zijn we nog altijd het best scorende niet-Franstalige land in de EU. Maar die positie staat onder druk: in 2012 was het percentage nog 30%. Het Duits verliest in dezelfde periode nog harder terrein: van 71% naar 61%. De trend is helder, en de oorzaak zit in het onderwijs en deels in het tekort aan docenten Frans en Duits.
Vicieuze cirkel
De cijfers van DUO zijn ook duidelijk. Tussen 2020 en 2024 daalde het aantal centrale examens Duits met 16% en Frans met bijna 8%. UWV signaleert ook al jaren een groeiend tekort aan docenten moderne vreemde talen. Universiteiten – die deze docenten opleiden – bevestigen dit, wat leidt tot een vicieuze cirkel: minder docenten leidt tot minder aanbod op scholen, wat leidt tot minder instroom in talenstudies, wat weer leidt tot minder docenten. Een neerwaartse spiraal waar niemand grip op lijkt te krijgen.
Op de neerwaartse spiraal lijkt niemand echt grip te krijgen.
Dit heeft ook duidelijk (langetermijn)gevolgen voor de arbeidsmarkt. Want terwijl het aanbod van Franstalig talent afkalft, neemt de vraag juist toe. Sterker nog: de Franse (en ook Duitse) taal wordt steeds belangrijker voor de Nederlandse economie en veiligheid. Kijk bijvoorbeeld naar de Nederlandse boardrooms en je ziet een opvallende trend. Bij ASML zit een Franse CEO (Christophe Fouquet), bij ABN AMRO eveneens (Marguerite Bérard), en bij Euronext bepaalt Stéphane Boujnah al jaren de koers. Het FD noemt Frankrijk een ‘kraamkamer voor topbestuurders‘. Die instroom is niet toevallig: het Franse grande école-systeem levert al decennia leiders af die opereren op het snijvlak van overheid, industrie en finance – precies de profielen die Nederland zoekt in een wereld van geopolitieke verschuivingen.
Duikboten en kerncentrales
Maar het gaat verder dan de bestuurskamer. De bouw van nieuwe onderzeeboten – een van de grootste Nederlandse defensieprojecten ooit – is voorlopig gegund aan het Franse Naval Group. Dat betekent jarenlange intensieve industriële samenwerking, waarbij contractbeheer, engineering-documentatie en veiligheidscommunicatie deels in het Frans verlopen. Maar om in Franse onderzeeboten te kunnen varen (met Franse techniek en handleidingen), lijkt het me niet onverstandig om de Franse taal ook te beheersen. Ook op mbo-niveau.
Om in Franse onderzeeboten te kunnen varen, lijkt het me niet onverstandig de Franse taal te beheersen.
In de energietransitie tekent zich eenzelfde patroon af: Mammoet sloot in 2025 een samenwerkingsovereenkomst met Électricité de France (EDF) rond de bouw van kerncentrales in Nederland. De nucleaire sector groeit naar verwachting van circa 1.900 fte nu naar 3.000 tot 4.000 fte, met een vervangingsvraag van zo’n 600 fte in de komende 10 tot 15 jaar.
Tel daar de handelscijfers bij op: Frankrijk is een top-3 exportbestemming voor Nederland, goed voor circa 8% van de totale goederenexport – zo’n 55 miljard euro (in 2023). Franse multinationals in Nederland bieden bovendien relatief veel werkgelegenheid: gemiddeld 174 werkzame personen per onderneming, meer dan veel andere buitenlandse bedrijven. De Franse taal wint derhalve aan belang binnen het bedrijfsleven, de Europese politiek, Defensie en Europese veiligheid. Het blijven spreken en beheersen van de Franse taal is voor Nederlanders dan ook steeds belangrijker op zowel korte als lange termijn.
Engels is niet genoeg
Natuurlijk blijft het Engels de voertaal in internationaal zakendoen. Maar wie denkt dat je met Engels alleen prima door een Frans-Nederlandse Defensie-samenwerking of nucleair bouwproject navigeert, onderschat de realiteit. Bij escalaties, contractinterpretaties en veiligheidskwesties maakt beheersing van de taal én het kennen en snappen van de cultuur van je partner het verschil tussen een opgelost probleem en een miljoenenconflict. Frans kunnen spreken is in die context geen luxe, maar een risico-reducerende vaardigheid, een voorwaarde eigenlijk.
En het gaat niet alleen om het Frans. De historische samensmelting van de Nederlandse en Duitse landmacht onderstreept bijvoorbeeld dat ook het Duits aan strategische waarde terugwint. Waar het Frans zich steeds nadrukkelijker in de wereld van bestuur, finance, defensie-inkoop en energietechnologie positioneert, wordt het Duits dus steeds meer relevant is in de maakindustrie en operationele militaire samenwerking.
Kan A.I. het gat dichten?
Het is misschien verleidelijk om te denken dat vertaaltechnologie en A.I. het onderlinge taalprobleem binnen een paar jaar vanzelf gaat oplossen. En ja, tools als automatische vertaling en A.I.-assistenten kunnen inderdaad enorm helpen bij dagelijkse communicatie. Maar taal is meer dan woorden en zinnen vertalen. Het is cultureel begrip, het is nuance in onderhandeling, het is vertrouwen opbouwen in een boardroom of bij een veiligheidsaudit. Wie alleen via een vertaalapp communiceert met zijn Franse counterpart, mist de subtiliteiten die in strategische relaties het verschil maken.
De echte oplossing zit in het herwaarderen van taal- en culturele vaardigheid als strategische competentie – in onderwijs, in werving en in bedrijfsinvesteringen. Voor de recruitment- en arbeidsmarktprofessional is de boodschap helder. Het Frans (en in mindere mate het Duits) verschuift in de komende jaren van nice to have (of liever: un plus) naar ‘strategische differentiator’. Dat geldt natuurlijk niet voor elke vacature, maar wel voor functies in defensie, energie, internationale inkoop, contractmanagement en bestuursondersteuning bij bedrijven met Franse stakeholders.
De oplossing zit in herwaardering van taal- en culturele vaardigheid als strategische competentie.
Werkgevers die nu investeren in taalvaardigheid – via werving, bijscholing of samenwerking met het onderwijs – bouwen aan een voorsprong die over 5 jaar schaars en kostbaar zal zijn. Maar ook het ministerie van OCW en EZK zou extra urgentie kunnen geven aan de Franse (en Duitse) taal, aangezien het onderwijs steeds minder Franstalig talent aflevert, de strategische vraag groeit, bijvoorbeeld in de operationele beheersing in de (wapen)industrie. Wie straks geen Frans en Duits spreekt in een Europa dat steeds meer op eigen kracht moet draaien, mist niet alleen woorden, maar ook kansen. Op allerlei gebied.



