Het artikel gaat hieronder verder.
De huidige Arbowet beschermt iedere werkende tegen geweld en intimidatie op de werkvloer. Maar hoe zit het als je nog géén dienstverband hebt, dus als je bijvoorbeeld sollicitant bent? Dan zul je, als je te maken krijgt met geweld of (seksuele) intimidatie, je toevlucht moeten nemen tot het strafrecht (dus aangifte moeten doen), of het civiel recht. Extra bescherming zit er voorlopig niet in, maakte minister Thierry Aartsen deze week duidelijk in een debat met de Tweede Kamer over het zogenoemde C190-verdrag, dat internationale afspraken bevat over het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer.
‘Ik vind sollicitanten een lastige categorie.’
‘Ik vind sollicitanten een lastige categorie’, zei de minister tijdens het debat, in antwoord op vragen van PRO-Kamerlid Mariëtte Patijn. ‘Er is bijvoorbeeld geen gezagsrelatie. Waartegen bescherm je hen dan als je ze onder de Arbowet brengt?’ Het kon Patijn niet overtuigen, die daarna een motie indiende om niet alleen sollicitanten, maar ook bijvoorbeeld vrijwilligers, zzp’ers, stagiairs en leerlingen nu eindelijk eens goed te beschermen tegen geweld en intimidatie, en het kabinet dus opriep ook deze groepen extra op te nemen in de wet, en daarvoor eind 2026 aan de Kamer een voorstel aan te bieden.
Na 7 jaar op de agenda
Nederland laat zich graag voorstaan als het ‘braafste jongetje van de klas’ op het gebied van arbeidswetgeving, maar in de praktijk is daarvan zelden sprake. Waar het gaat om het ILO-verdrag inzake het uitbannen van geweld en intimidatie op de werkvloer, is dat weer eens zo’n voorbeeld. Het verdrag werd al in 2019 internationaal aangenomen, en inmiddels al door 54 landen ondertekend, waaronder landen als België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Italië, Ierland, Noorwegen en Spanje. Maar Nederland? Dat blonk nog altijd uit door afwezigheid. Bijna 7 jaar na ondertekening stond het deze week eindelijk op de agenda van de Kamer.
Bijzonder in het verdrag is dus dat niet alleen werkenden genoemd worden, maar ook bijvoorbeeld sollicitanten. Het kabinet wil het verdrag echter wél tekenen, maar dus niet de bijbehorende extra wetgeving regelen. Dit tegen de zin van een groot aantal deskundigen, die daags voor het debat nog bepleitten dat de ratificatie van het verdrag ‘méér vereist dan symboliek‘, en juist wél aanpassing van nationale wet- en regelgeving nodig zou zijn. ‘De bescherming dient zich uit te strekken tot alle werkenden, inclusief sollicitanten. […] Juist deze groepen opereren vaak in een afhankelijke positie, zonder adequate rechtsbescherming.’
1,7 miljard per jaar
De kosten van de gevolgen van ongewenst gedrag op de werkvloer worden door TNO geschat op 1,7 miljard euro per jaar. Hoe vaak er in een sollicitatieprocedure sprake van is, is (natuurlijk) niet bekend. De aangiftebereidheid is laag, de sollicitant bevindt zich meestal in een kwetsbare, en in elk geval in een afhankelijke, positie, en zal dus waarschijnlijk wel uitkijken voordat hij of zij er melding van maakt. Juist daarom is het goed dat werkzoekenden en sollicitanten expliciet in het verdrag genoemd zijn, betogen de ondertekenaars van de pleitnotitie, die ook opmerken dat de cijfers van (seksuele) intimidatie op en rond de werkvloer niet dalen.
Hoe vaak in een sollicitatieprocedure sprake is van intimidatie, is (natuurlijk) niet bekend.
De reikwijdte van de Arbowet moet daarom aangepast, bepleiten ze. Niet alleen door meer groepen op te nemen, maar ook door meer situaties te benoemen, zoals ook het verdrag doet. Dat strekt zich uit van woon-werkverkeer tot bedrijfsuitjes. En ook op het terrein van rechtsbescherming is volgens hen verbetering mogelijk. ‘Een verplichte klachtenregeling, toegang tot een onafhankelijke vertrouwenspersoon en een uniform normenkader voor onderzoek naar meldingen en klachten zijn essentieel om rechtsongelijkheid te voorkomen en de meldingsbereidheid te vergroten’, stellen ze.

Hun pleidooi vond dus gehoor bij Kamerleden Patijn (PRO, het voormalige GroenLinks/PvdA), en Stephan Neijenhuis (D66), die beiden te kennen gaven dat wat hen betreft ondertekening van het verdrag niet kan zonder uitbreiding van de Nederlandse wetgeving, met name wat betreft sollicitanten (en oud-werknemers). Of het ook daadwerkelijk zover komt? Dat wordt duidelijk op 14 april, als stemming over de ondertekening, én de bijbehorende moties op de agenda staan. Wie weet heeft in de Kamer dan een meerderheid door dat ook sollicitanten gelijkwaardige bescherming tegen intimidatie verdienen, zoals ze al hebben in tal van andere landen.